schepsel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schep·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schepsel schepsels
schepselen
verkleinwoord schepseltje schepseltjes

Zelfstandig naamwoord

schepsel o

  1. creatuur; iets dat gemaakt is
    • een schepsel gods 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.