regeringsleider

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·ge·rings·lei·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord regeringsleider regeringsleiders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

regeringsleider m

  1. de belangrijkste persoon van een regering
    • Tijdens de top met regeringsleiders konden belangrijke beslissingen genomen worden. 
Verwante begrippen
  1. president, kanselier, premier, minister-president, koning, keizer

Meer informatie

Gangbaarheid