mure

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
En mure.
Een ganzerik.

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • mu·re
Woordherkomst en -opbouw
  • (werkwoord) Afkomstig van het Oudnoorse woord múra, dat van mur komt.
  • (zelfstandig naamwoord) Verwant med het Duitse woord Möhre.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mure
murer
muret
mura
muret
mura
Klasse 1 zwak
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mure
murer
murte
murt
Klasse 2 zwak

Werkwoord

mure

  1. metselen
    «Grillstedet er murt opp med stein.»
    De barbequeplaats is gemetseld met stenen.

Werkwoord

mure seg inne

  1. wederkerend zich isoleren
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

mure g

  1. (plantkunde) ganzerik
    «Murer (Potentilla) er en gruppe planter i rosefamilien.»
    Ganzerik (Potentilla) is een plantengeslacht uit de rozenfamilie.


Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mure     m: muren
v: mura  
  murer     murene  
genitief   mures     m: murens
v: muras  
  murers     murenes  
Synoniemen
Hyperoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • mu·re
Woordherkomst en -opbouw
  • (werkwoord) Afkomstig van het Oudnoorse woord múra, dat van mur komt.
  • (zelfstandig naamwoord) Verwant med het Duitse woord Möhre.

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mure
murar
mura
mura
Klasse 1 zwak

mure

  1. metselen
    «Mure eit hus.»
    Een huis metselen.
  2. krieuwelen
Schrijfwijzen

Werkwoord

mure seg inne

  1. wederkerend zich isoleren
Synoniemen

Zelfstandig naamwoord

mure v

  1. (plantkunde) ganzerik
Verbuiging
v enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mure     mura     murer     murene  
genitief                        
bijvormen enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mura         muror     murone  
genitief                        
Synoniemen
Hyperoniemen