makelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Makelaars [2]
Makelaar [3]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ke·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord makelaar makelaars
verkleinwoord makelaartje makelaartjes

Zelfstandig naamwoord

makelaar m

  1. (handel) (beroep) de tussenpersoon in de handel, zowel van roerende als onroerende goederen
    • Een makelaar in koffie. 
  2. (bouwkunde) een verticale balk in een dakconstructie tussen nok en hanenbalk
  3. (bouwkunde) een ornament op een markant punt van een bouwwerk
    • Een gevelpunt met een eenvoudige makelaar. 
  4. (bouwkunde) een verticale aanslagstrip tussen 2 vleugels van een kast of van een deur
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen