verkoper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ko·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verkoper verkopers
verkleinwoord verkopertje verkopertjes

Zelfstandig naamwoord

verkoper m

  1. iemand die goederen of diensten verkoopt
    Hij werkt als verkoper in die winkel.
Antoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verkoperen

verkoper

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkoperen
    Ik verkoper.
  2. gebiedende wijs van verkoperen
    Verkoper!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van verkoperen
    Verkoper je?

Meer informatie