Naar inhoud springen

schuur

Uit WikiWoordenboek
  • schuur
  • In de betekenis van ‘eenvoudige berging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240.[1]
  • erfwoord: Middelnederlands scūre, uit Oudnederlands skūra, ontwikkeld uit Oergermaans *skūr(j)ō-, bij Indo-Europees *skuH-ro-, uitbreiding van de wortel *(s)keuH- ‘bedekken, omhullen’.[2] Evenals Nederduits Schüür, Duits Scheuer en Fries skuorre.
enkelvoud meervoud
naamwoord schuur schuren
verkleinwoord schuurtje schuurtjes

deschuurv/m [3]

  1. (bouwkunde) een bijgebouw bij het huis of de boerderij om veldvruchten, landbouwproducten en -werktuigen in op te slaan
    • Zet die fiets eens in de schuur. 
     Het vergeefse geblaf van een hond in een schuur zou alle stiltes doorbreken.[4]
     Waarom heb ik me niet omgedraaid toen het gevloek ophield? Ik had moeten checken of alles nog wel goed met haar was! Heb ik iets gemist? Een roep om hulp misschien? Ik was degene die daarboven in de schuur de boel gek maakte en kandidaten wierf voor die riskante afdaling.[5]
  • Om één slechte oogst brandt de boer zijn schuur niet af
Eén enkele tegenslag gaat wel voorbij
vervoeging van
schuren

schuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuren
    • Ik schuur. 
  2. gebiedende wijs van schuren
    • Schuur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuren
    • Schuur je? 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]