contract

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·tract
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘schriftelijke overeenkomst’ voor het eerst aangetroffen in 1391 [1]
  • afgeleid van het Latijnse contractus (met het voorvoegsel con-) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord contract contracten
verkleinwoord contractje contractjes

Zelfstandig naamwoord

contract o

  1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
    • Na een lange onderhandeling is het contract eindelijk ondertekend. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen