gevel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·vel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voormuur van gebouw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gevel gevels
verkleinwoord geveltje geveltjes

Zelfstandig naamwoord

gevel m

  1. (bouwkunde) buitenmuur van een gebouw, in het bijzonder die aan de voorkant
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen