lekwater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lek·wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lekwater
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lekwater o [1]

  1. water dat ergens langs lekt of gelekt is
    • De gemeente presenteerde woensdag meerdere opties voor de Poldertoren, die de polderbewoners handenvol geld kostte. Ruim 4 miljoen werd er al geïnvesteerd in een verbouwing, maar dat geld spoelde met het lekwater weer net zo hard weg. De huidige waarde van de toren wordt geschat op slechts 450.000 euro. Verkoop lijkt daarmee op dit moment uitgesloten.[2] 
    • Voor de wanden wordt ook nog, zoals gebruikelijk, een betonnen binnenwand van zestig centimeter dikte gestort. Die kan ook nog lekwater tegenhouden.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen