lade

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Lade

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lade lades
laden
verkleinwoord laatje[1] laatjes

Zelfstandig naamwoord

lade v/m

  1. een platte uitschuifbare bak in een meubelstuk, bedoeld als bergplaats van losse voorwerpen
    Het legde het afgedroogde bestek in de ene lade en de onderzetters in de andere.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Goed beschouwd is dit het verkleinwoord van de verkorte vorm la. Zie discussie uit 1873

Meer informatie


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Werkwoord: Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord hlaða
  • Zelfstandig naamwoord: Afkomstig van de Oudnoorse zelfstandige naamwoorden hlaða en hlaði.
Naar frequentie 1698
vervoeging
onbepaalde wijs lade lade
tegenwoordige tijd lader lader
verleden tijd ladet
lada
ladde
voltooid
deelwoord
ladet
lada
ladd
onvoltooid
deelwoord
ladende ladende
lijdende vorm lades lades
gebiedende wijs lad lad
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak Klasse 3 zwak
opmerking optioneel

Werkwoord

lade

  1. (overgankelijk) laden
  2. (overgankelijk) opladen
  3. (overgankelijk), (verouderd) bevrachten, inladen
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: lade et skytevåpen
een vuurwapen laden
  • [2]: lade et batteri
een batterij opladen
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   lade     laden     lader     ladene  
genitief   lades     ladens     laders     ladenes  

Zelfstandig naamwoord

lade o

  1. (verouderd) schuur
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   lade     ladet     lader     lada
ladene  
genitief   lades     ladets     laders     ladas
ladenes  
Synoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Werkwoord: Afkomstig van het Oudnoorse werkwoord hlaða
  • Zelfstandig naamwoord: Afkomstig van de Oudnoorse zelfstandige naamwoorden hlaða en hlaði.
vervoeging
onbepaalde wijs la lade
lada
tegenwoordige tijd lader lader
verleden tijd ladde ladde
voltooid
deelwoord
ladd
ladt
ladd
ladt
onvoltooid
deelwoord
ladande ladande
lijdende vorm ladast ladast
gebiedende wijs lad lad
vervoegingsklasse Klasse 3 zwak Klasse 3 zwak
opmerking optioneel optioneel

Werkwoord

lade

  1. (overgankelijk) laden
  2. (overgankelijk) opladen
  3. (overgankelijk) bevrachten, inladen
  4. (overgankelijk) opstapelen, stapelen
  5. (overgankelijk) (oogst) binnenhalen
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1]: lade kanonar
kanonnen laden
  • [1]: børsa er ladd
de pistool is geladen
  • [2]: lade eit batteri / lade opp eit batteri
een batterij opladen
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   lade     laden     ladar     ladane  

Zelfstandig naamwoord

lade m

  1. schuur
Synoniemen