inladen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·la·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inladen
laadde in
ingeladen
gemengd volledig

Werkwoord

inladen

  1. overgankelijk een voer- of vaartuig van een lading voorzien
    • De vrachtauto is nu bijna geheel ingeladen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.