uitloper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Uitlopers van een aardbeienplant

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·lo·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitloper uitlopers
verkleinwoord uitlopertje uitlopertjes

Zelfstandig naamwoord

uitloper m

  1. (beschrijvende plantkunde) een groeiende, vaak kruipende, loot of stengel aan een boom of plant
    • Het is tijd om die uitlopers wat in te korten, anders verwildert de hele struik. 
  2. overdrachtelijk: iets dat op 1) gelijkt
    • Afghanistan heeft een lange uitloper in de noordoostelijke bergen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be