uitloper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Uitlopers van een aardbeienplant

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·lo·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitloper uitlopers
verkleinwoord uitlopertje uitlopertjes

Zelfstandig naamwoord

uitloper m

  1. een groeiende loot aan een boom of plant
    • Het is tijd op die uitlopers wat in te korten, anders verwildert de hele struik. 
  2. overdrachtelijk: iets dat op 1) gelijkt
    • Afghanistan heeft een lange uitloper in de noordoostelijke bergen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie