opladen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·la·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opladen
laadde op
opgeladen
zwak -d

gemengd

volledig

Werkwoord

opladen

  1. overgankelijk een materiële lading op iets aanbrengen
    • De pakezels waren al opgeladen. 
  2. overgankelijk een elektrische lading op iets aanbrengen
    • Ik ben bezig de batterij op te laden. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be