plank

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Twee planken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plank
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plank planken
verkleinwoord plankje plankjes

Zelfstandig naamwoord

plank v/m

  1. een plat en langwerpig stuk hout
  2. een plank om iets op te zetten -> schap
    • Hij viel over de stapel planken die voor de deur waren neergelegd. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Op de plank en binnen.
(duivensport) een reisduif moet direct geconstateerd worden om een prijs te kunnen winnen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen