binnenhalen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·ha·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binnenhalen
haalde binnen
binnengehaald
zwak -d volledig

Werkwoord

binnenhalen

  1. (overgankelijk) vis of netten binnenboord brengen
    De netten waren nog niet helemaal binnengehaald.
  2. (overgankelijk) iets binnen het huis brengen
    Ik heb de was binnengehaald omdat het dreigt te gaan regenen.
  3. (overgankelijk) Geld inzamelen of verdienen
    We hebben die middag veel binnengehaald