fris

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fris
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘vers, koel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fris frisser frist
verbogen frisse frissere friste
partitief fris frissers -

Bijvoeglijk naamwoord

fris

  1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
    • De badkamer is weer helemaal fris. 
  2. ironisch: weinig te vertrouwen
    • Frisse jongens zijn dat! 
  3. aan de koude kant
    • Het is een stuk frisser geworden. 
     Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken uit haar bidon.[2]
  4. ~drank: een koele drank, meestal met koolzuurbelletjes
    • Geeft u mij maar iets fris! 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen