amper

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • am·per
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

amper

  1. nauwelijks, bijna niet
    Hij kon amper ademhalen.
    Hij kon amper naar de toilet lopen.
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈɑmpər/

Bijwoord

amper

  1. bijna