koken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
koken
kookte
gekookt
zwak -t volledig

Werkwoord

koken

  1. overgankelijk vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    • Het water werd gekookt. 
  2. ergatief het proces waarbij bellen uit de hele vloeistof vrijkomen
    • Water kookt bij honderd graden Celsius op zeeniveau. 
  3. overgankelijk (kookkunst) met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    • De moeder kookt iedere dag voor haar kinderen en echtgenoot. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Noors

Woordafbreking
  • ko·ken

Zelfstandig naamwoord

koken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kok (betekenis [A])

koken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kok (betekenis [B])
Schrijfwijzen

koken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kok (betekenis [C])
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

koken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van koke
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • ko·ken

Zelfstandig naamwoord

koken, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kok