kookvocht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kook·vocht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kookvocht kookvochten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kookvocht o [1]

  1. vocht dat vrijkomt bij het koken (van groenten) of het vocht waarin gekookt is en vaak wordt afgegoten
    • Na een paar minuten gaan de schelpen open. Voeg naar smaak peper toe en blus af met de wijn. Laat het geheel nog een paar minuten sudderen. Schenk de inhoud van de pan door een zeef en bewaar het kookvocht. Vis alle volle, geopende schelpen en losse schelpdiertjes eruit. Gooi de schelpen die niet geopend zijn weg![2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Sam de Voogt 2 november 2016