overkoken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·ko·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overkoken
kookte over
overgekookt
zwak -t volledig

Werkwoord

overkoken

  1. ergatief door koken het vat uitrijzen
    • De melk was overgekookt en nu moest de rommel opgeruimd worden. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.