koek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een roze koek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koek koeken
verkleinwoord koekje koekjes

Zelfstandig naamwoord

koek m

  1. (voeding) een baksel uit de oven met als belangrijkste ingrediënt deeg
    • We kopen minder vaak koek en gebak en serveren kleine porties.[2] 
  2. (figuurlijk) min of meer platte massa van dingen die zijn samengeklonterd
    • Wij vonden op de toeristenmarkt van Abidjan een luipaardmasker, gesneden van licht hout, overdekt door een koek van bloed en vuil, takjes en aarde.[3] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Het is koek en ei
Alles gaat goed (Veelal gebruikt in negatieve zin, dus om aan te geven dat juist niet alles even goed verloopt: Het is niet allemaal koek en ei, e.d.)
  • Iets voor zoete koek slikken/aannemen
Iets zomaar geloven, goedgelovig voor waar aannemen
  • Dat is gesneden koek
Gezegd van iets heel gemakkelijk is te regelen, op te lossen e.d.
  • Dat is andere koek
Dat is heel iets anders
  • De koek is op
Er is geen geld meer, ook gezegd van iets anders dat niet meer ter beschikking staat
  • Dat gaat erin als [zoete] koek
Dat wordt heel goed ontvangen (soms ook meer letterlijk gezegd over iets dat goed smaakt)
  • Een koekje van eigen deeg geven
Met gelijke middelen wraak nemen, vergelden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
koeken

koek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koeken
    • Ik koek. 
  2. gebiedende wijs van koeken
    • Koek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koeken
    • Koek je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen