Naar inhoud springen

koekje

Uit WikiWoordenboek
2. Een schaal met koekjes.
  • koek·je
  • afgeleid van koek met het achtervoegsel -je
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord koekje koekjes

hetkoekjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord koek
  2. alleen verkleinwoord (voeding) klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
    • De jongens wilden graag een koekje hebben. 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be