gommakoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gom·ma·koek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord (gommakoek) -
verkleinwoord gommakoekje gommakoekjes

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie waarin alleen het verkleinwoord staat.

Zelfstandig naamwoord

gommakoek m

  1. (voeding) soort Surinaamse koek van tapioca of maizena, boter en suiker, versierd met suikermuisjes
    • Ik mis de gommakoek en de tamarindestroop van mevrouw Leefmans. [1]
Opmerkingen
  • Het verkleinwoord 'gommakoekje(s)' is gangbaarder, maar 'gommakoek' wordt wel eens gebruikt als soortnaam.

Gangbaarheid

Verwijzingen