lulkoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lul·koek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lulkoek -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

lulkoek m

  1. (informeel) flauwekul, onzin, zwakzinnig geklets, stom gezwets
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be