kaka

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·ka

Zelfstandig naamwoord

kaka

  1. (kindertaal) ontlasting
    • Het jongetje zei: "Ik moet kaka doen!" 
Verwante begrippen


Gangbaarheid


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ˈkaːkaː/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

kaka m, v of o (geslachtsaanpasselijk)

  1. (Hooglimburgs) (kinderlijk) poep
Verbuiging



Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·ka
Woordherkomst en -opbouw
  • Bijvoeglijk naamwoord: bijvoeglijk gebruik van het voltooid deelwoord van kake
Naar frequentie 6786
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud kaka
o enkelvoud kaka
meervoud kaka
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
kaka

Bijvoeglijk naamwoord

kaka

  1. gekoekt

Werkwoord

kaka

  1. verleden tijd van kake
  2. voltooid deelwoord van kake
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

kaka, v

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kake
Schrijfwijzen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·ka
Woordherkomst en -opbouw
  • Bijvoeglijk naamwoord: bijvoeglijk gebruik van het voltooid deelwoord van kaka en kake
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud kaka
o enkelvoud kaka
meervoud kaka
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
kaka

Bijvoeglijk naamwoord

kaka

  1. gekoekt

Werkwoord

kaka

  1. onbepaalde wijs, tweede vorm naast kake, zie aldaar

kaka

  1. verleden tijd van kaka
  2. voltooid deelwoord van kaka

kaka

  1. gebiedende wijs van kaka
Schrijfwijzen

Werkwoord

kaka

  1. verleden tijd van kake
  2. voltooid deelwoord van kake

kaka

  1. gebiedende wijs van kake
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

kaka

  1. nominatief bepaald vrouwelijk enkelvoud van kake

Zelfstandig naamwoord

kaka

  1. verouderde spelling of vorm van kake van vóór 2012 [1]
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud van kake, v

Verwijzingen

  1. Ny rettskriving for 2000-talet (in het Nynorsk)
    3.1.4 Eintalsbøying av svake hokjønnsord