pannenkoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een pannenkoek met kersen en slagroom


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pan·nen·koek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pannenkoek pannenkoeken
verkleinwoord pannenkoekje pannenkoekjes

Zelfstandig naamwoord

pannenkoek m

  1. (voeding) plat, rond rond gebak; vooral gebruikt voor luchtig beslag van meel en eieren dat in een koekenpan is gebakken
    • Veel mensen vinden pannenkoeken heerlijk. 
  2. (informeel) dom of onhandig persoon
    • Welke pannenkoek heeft dit bedacht? 
Schrijfwijzen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen