gier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een gier.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gier gieren
verkleinwoord giertje giertjes

Zelfstandig naamwoord

gier m

  1. (vogels) een grote aasetende roofvogel met een kale kop en machtige vleugels
    Gieren hebben mooie vleugels.
  2. uiterst hebzuchtig, roofzuchtig mens
  3. mestvocht
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gieren

gier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gieren
    Ik gier.
  2. gebiedende wijs van gieren
    Gier!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gieren
    Gier je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord gier giere

Zelfstandig naamwoord

gier

  1. (vogels) gier
  2. sterk verlangen, bevlieging, rage
  3. kreet, schreeuw