Naar inhoud springen

schreeuw

Uit WikiWoordenboek
Op de markt in 's-Hertogenbosch kon publiek meedoen aan wedstrijden hard-schreeuwen en klompen-stampen (1 januari 1980)
  • schreeuw
enkelvoud meervoud
naamwoord schreeuw schreeuwen
verkleinwoord schreeuwtje schreeuwtjes

deschreeuwm

  1. een luide (uit)roep, vaak geassocieerd met angst, pijn, schrik of woede
    • Hij gaf een schreeuw van pijn toen hij door de vallende steen geraakt werd. 
     Maar Quick ging niet weg en ik moest mijn tsunami van gillen die ik op het plein wilde loslaten inhouden, een schreeuw van blijdschap die zo luid zou zijn dat hij over de daken helemaal tot aan de kust van Kent zou reizen.[2]
     Was het een nachtelijke wake om haar broer terug te roepen? Waarom, terwijl hij de reden van haar vernedering was? Olive herinnerde zich Teresa's schreeuw van woede op het dorpsplein, haar blik van onmacht, haar angst toen Gregorio haar beetgreep.[2]
vervoeging van
schreeuwen

schreeuw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schreeuwen
    • Ik schreeuw. 
  2. gebiedende wijs van schreeuwen
    • Schreeuw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schreeuwen
    • Schreeuw je? 
     'Hé!' schreeuw ik.[3]
     'Je gaat me niet vertellen dat al mijn werk voor niks is geweest en ik niet kan testen?' 'Testen?' 'Casten, auditeren' schreeuw ik nu door de hal.[3]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. schreeuw op website: Etymologiebank.nl
  2. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be