gierkar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

gierkar
Uitspraak
Woordafbreking
  • gier·kar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gierkar gierkarren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gierkar v/m [1]

  1. een wagen waarin men vloeibare, stinkende, vieze mest vervoert
    • Een 53-jarige automobilist heeft ontdekt dat hij met zijn cabrio misschien uit de buurt moet blijven van gierkarren. De man en zijn veertienjarige dochter hadden na een ritje door de Duitse deelstaat Beieren zowel een douche als een nieuwe auto nodig. [2] 
    • Je moet maar durven. Net een europakket van astronomische omvang ontvangen en dan schaamteloos je weldoener tot op het bot krenken. Politiek werkt anders maar als het in de vriendenkring van Angela was gebeurd, zou niemand er vreemd van hebben opgekeken als ze ter plekke haar geld zou hebben teruggeëist. In ieder geval kreeg ik als toeschouwer hevige jeuk. In plaats van grote erkentelijkheid betonen voor de reddingsoperatie iemand kielhalen. Dat is geen stank voor dank verspreiden maar de inhoud van een hele gierkar. Hebben de Grieken afgelopen zomer soms massaal een zonnesteek opgelopen? [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.

Verwijzingen