gierig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gie·rig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘inhalig’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • afgeleid van het Middelnederlandse gier (begerig, gretig) met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gierig gieriger gierigst
verbogen gierige gierigere gierigste
partitief gierigs gierigers -

Bijvoeglijk naamwoord

gierig [3]

  1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
    • Die gierige man wilde ons niet trakteren op een biertje nadat we hem hadden geholpen. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen