huisgezin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·ge·zin
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisgezin huisgezinnen
verkleinwoord huisgezinnetje huisgezinnetjes

Zelfstandig naamwoord

huisgezin o

  1. (huishouden) (familie) vader, moeder en kinderen soms worden ook de huisdieren erbij gerekend.
    • De moeder van het grote huisgezin had het altijd druk ook op de vakantie. 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.