Naar inhoud springen

gezinnen

Uit WikiWoordenboek
  • ge·zin·nen

degezinnenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gezin
     In mijn jeugd trokken we elke zomer met vier gezinnen door de bergen.[2]
     Een bepalend moment in mijn leven: nog voor de armagnac bij de koffie vroeg Arend of ik niet voor hem en Casper wilde komen werken, want hun familiebedrijf had inmiddels meer dan honderd gezinnen te onderhouden en op hr-gebied viel er nog veel te verbeteren.[3]
     'Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar.[3]
     Iedereen heeft ideeën over ouders, kinderen en gezinnen, maar hoe zit het echt? Die vraag stelt Lynn Berger zich als ze voor de tweede keer in verwachting is.[4]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gezinnen
gezinde
gezind
zwak -d volledig

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als werkwoord

gezinnen

  1. (verouderd) verlangen naar, willen hebben
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. 1 2
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  4. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697