forma

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Latijn

Zelfstandig naamwoord

fōrma v

  1. vorm
  2. gedaante, gestalte
  3. beeld, afbeelding, figuur
  4. (post-klassiek) stempel
Verbuiging



Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • for·ma
enkelvoud meervoud
forma formas

Zelfstandig naamwoord

forma v

  1. vorm, gedaante, gestalte
  2. gietvorm
  3. formaat
  4. manier (om de dingen te doen), wijze
  5. vorm (taal, stijl, inhoud)
  6. conditie (gesteldheid van lichaam of geest)
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
formar

forma

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van formar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van formar
vervoeging van
formarse

forma

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van formarse


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

forma v

  1. vorm