vorm

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vorm
Woordherkomst en -opbouw
  • Via het Franse forme afgeleid van het Latijnse forma.
enkelvoud meervoud
naamwoord vorm vormen
verkleinwoord vormpje vormpjes

Zelfstandig naamwoord

vorm m

  1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
    • Een stuk land in de vorm van een driehoek. 
  2. sjabloon of bak waarin iets gegoten of geperst kan worden
    • Het deeg van de taart werd in de vorm gedaan. 
  3. (veranderlijke) toestand van iets concreets
    • Het voorstel in deze vorm. 
    • De module in deze vorm. 
  4. (sport) lichamelijke conditie
    • Hij is goed in vorm. 
  5. (grammatica) lijdende ~, passieve ~, → lijdende vorm
  6. (grammatica) actieve ~, vormen van het werkwoord waarmee wordt uitgedrukt dat het onderwerp de handeling actief verricht
  7. manier, methode
    • Deze vorm van autorijden. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Werkwoord

vervoeging van
vormen

vorm

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vormen
    • Ik vorm. 
  2. gebiedende wijs van vormen
    • Vorm! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vormen
    • Vorm je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

vorm

  1. vorm


Noors

Zelfstandig naamwoord

vorm

  1. verouderde spelling of vorm van vormgut van vóór 2005
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk