afbrokkelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·brok·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbrokkelen
brokkelde af
afgebrokkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

afbrokkelen

  1. ergatief geleidelijk brokstukken verliezen
    • Het Byzantijnse Rijk is na de verovering door de Kruisvaarders in 1204 alleen maar verder afgebrokkeld tot het in 1453 ophield te bestaan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.