afsnijden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·snij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afsnijden
sneed af
afgesneden
klasse 1 volledig

Werkwoord

afsnijden

  1. (overgankelijk) ergens een stuk vanaf halen, bekorten, inkorten
    Hij moest eerst het topje van de fles afsnijden voordat hij hem kon gebruiken.
  2. (overgankelijk) rakelings langs iemand naar dezelfde weghelft gaan, versperren, blokkeren
    Ik werd vanmiddag weer afgesneden door zo'n snelle auto.
    De terugtocht van de troepen werd afgesneden
  3. (overgankelijk) een afkorting in een traject nemen, een weg bekorten
    Door deze weg te nemen, kunnen wij een heel stuk afsnijden
  4. (overgankelijk) afsluiten, onmogelijk maken
    Vanochtend werd de elektra weer afgesneden
Vertalingen