afsnijden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·snij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afsnijden
sneed af
afgesneden
klasse 1 volledig

Werkwoord

afsnijden

  1. overgankelijk ergens een stuk vanaf halen, bekorten, inkorten
    • Hij moest eerst het topje van de fles afsnijden voordat hij hem kon gebruiken. 
  2. overgankelijk rakelings langs iemand naar dezelfde weghelft gaan, versperren, blokkeren
    • Ik werd vanmiddag weer afgesneden door zo'n snelle auto. 
    • De terugtocht van de troepen werd afgesneden 
  3. overgankelijk een afkorting in een traject nemen, een weg bekorten
    • Door deze weg te nemen, kunnen wij een heel stuk afsnijden 
  4. overgankelijk afsluiten, onmogelijk maken
    • Vanochtend werd de elektra weer afgesneden 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.