chipje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chip·je
enkelvoud meervoud
naamwoord chipje chipjes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

chipje o

  1. (voeding) een gefrituurd dun laagje aardappel
    • Zit niet zo veel chipjes te eten; we moeten nog aan tafel. 
Opmerkingen
  • In deze betekenis is het meervoud chips het meest gangbaar

Zelfstandig naamwoord

chipje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord chip

Gangbaarheid