alleenspraak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·leen·spraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord alleenspraak alleenspraken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

alleenspraak v/m [1]

  1. een tekst die door één persoon wordt uitgesproken
    • Wij moeten de heilige dichter hier zien in deze moedeloze, verdrietige, doch tegelijk dwaze alleenspraak, staande buiten Gods heiligdom en tot zichzelf sprekende: Hoe is het mogelijk, die voorspoed van de goddelozen? [2] 
    • 'Het boek kan nog het best omschreven worden als het sublieme gezeur van een groot stilist: Jeroen Brouwers verheft het gekanker van een bejaarde tot een litanie met een heel eigen muzikaliteit. 'Bittere bloemen' is een boek waarin met mededogen, maar ook meedogenloos, het verval van elke mens wordt geschetst. Een sardonische alleenspraak van de ouderdom is het resultaat. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen