uitsluitend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·slui·tend
stellend
onverbogen uitsluitend
verbogen uitsluitende
partitief uitsluitends

Bijvoeglijk naamwoord

uitsluitend

  1. geen ruimte voor andere mogelijkheden latend
    • Hij heeft uitsluitende bevoegdheid daartoe. 
  2. alleen maar
     Aan de sluiting van verzorgingshuizen worden twaalf regels besteed, maar daarin wordt het verdwijnen van deze voorziening uitsluitend beschreven als een (kwantitatief) verlies van woonplekken. Terwijl de formule van deze woon-zorgvoorziening juist uniek was: geen scheiding van wonen en zorg, maar juist integratie daarvan.[1]
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van: uitsluiten
verbogen vorm: uitsluitende

uitsluitend

  1. onvoltooid deelwoord van uitsluiten

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Noud Engelen “Kwetsbare ouderen hebben beschermde woonomgeving nodig” (14 februari 2020), Trouw
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be