hof
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hof
Woordherkomst en -opbouw
- > Germaans *hof- > Proto-Indo-Europees *keup-, gevormd uit *keu- «bocht, holte» met een achtervoegsel. Vgl Oudsaksisch hof, Oudhoogduits hof (Duits Hof), Oudnoors hof (Oudnoors hov).
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hof | hoven |
| verkleinwoord | hofje | hofjes |
Zelfstandig naamwoord
hof
- o: de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
- o: (juridisch) een instelling waar recht gesproken wordt
- m: een stuk bebouwd land of tuin
Synoniemen
- [2] rechtbank
Vertalingen
1. de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
2. een instelling waar recht gesproken wordt
Middelnederlands
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| nominatief | hof | hove |
| genitief | hoves | hove |
| datief | hove | hoven |
| accusatief | hof | hove |
Zelfstandig naamwoord
hof o