schik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schik
enkelvoud meervoud
naamwoord schik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schik m

  1. ~ hebben in iets: door iets geamuseerd worden
    Hij had schik in die ondeugd van een kleinzoon.
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schikken

schik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schikken
    Ik schik.
  2. gebiedende wijs van schikken
    Schik!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schikken
    Schik je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen