schik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schik
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schik | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
schik m
- ~ hebben in iets: door iets geamuseerd worden
- Hij had schik in die ondeugd van een kleinzoon.
Synoniemen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schikken |
schik