werf
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- werf
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | werf | werven |
| verkleinwoord | werfje | werfjes |
Zelfstandig naamwoord
- een scheepswerf
- Het schip werd naar de werf gebracht.
- een plaats waar goederen gestapeld liggen
- De eigenaar van de werf werd gisteravond dood aangetroffen in zijn huis.
- (België) een bouwterrein
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| werven |
werf
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werven
- Ik werf.
- gebiedende wijs van werven
- Werf!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werven
- Werf je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| stamtijd | |
|---|---|
| infinitief | voltooid deelwoord |
| werf |
gewerf |
| volledig | |
Zelfstandig naamwoord
werf
- aanwerven, in dienst nemen
- «Ons het binne ʼn bestek van ses maande veertien beriggewers gewerf. We hebben binnen een bestek van zes maanden veertien informanten aangeworven.»