gaarde
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- gaar·de
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gaarde | gaarden |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
gaarde
- v/m? (scheepvaart) bij een kaag: de kabels waarmee de spriet in de vaarrichting gehouden wordt
- v/m? de meestal gegalvaniseerde stalen draad met behulp waarvan riet op een dak strak gebonden wordt
- v/m taai, recht wilgenhout voor rijswerk
- m (verouderd) omheinde ruimte, tuin. Heden ten dage voornamelijk in eigennamen en samenstellingen
- De kat wil uit den gaarde niet, en zij laat haar muizen niet.[1]
- m (religie) paradijs
- Over de gaarde wordt in de Koran gesproken in de zin van het paradijs dat aan Adam en zijn vrouw als woonplaats werd gegeven.
- 'Dan wordt de woestijn een gaarde en de gaarde gelijkt een woud'.[2]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- [4]: diergaarde
Werkwoord
gaarde
- verleden tijd enkelvoud van garen: gaar worden
- verleden tijd enkelvoud van garen: verzamelen
- ... door mijn vingers verglijden de kruimels, die 'k gaarde van 't godenfestijn in de hemelenzaal.[3]
Verwijzingen
- ↑ blz 120. Spreekwoordenboek der nederlandsche taal: of Verzameling van nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uit drukkingen von vroegeren en lateren tijd
Auteur: Pieter Jacob Harrebomée
Uitgever: Kemink en zoon, 1862 - ↑ Jesaja 32:15-16:
- ↑ Hyperion's klacht. Bob Spoelstra "den Doolaard" 1922.