gaarde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gaar·de
enkelvoud meervoud
naamwoord gaarde gaarden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gaarde

  1. v/m? (scheepvaart) bij een kaag: de kabels waarmee de spriet in de vaarrichting gehouden wordt
  2. v/m? de meestal gegalvaniseerde stalen draad met behulp waarvan riet op een dak strak gebonden wordt
  3. v/m taai, recht wilgenhout voor rijswerk
  4. m (verouderd) omheinde ruimte, tuin. Heden ten dage voornamelijk in eigennamen en samenstellingen
    De kat wil uit den gaarde niet, en zij laat haar muizen niet.[1]
  5. m (religie) paradijs
    Over de gaarde wordt in de Koran gesproken in de zin van het paradijs dat aan Adam en zijn vrouw als woonplaats werd gegeven.
    'Dan wordt de woestijn een gaarde en de gaarde gelijkt een woud'.[2]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

gaarde

  1. verleden tijd enkelvoud van garen: gaar worden
  2. verleden tijd enkelvoud van garen: verzamelen
    ... door mijn vingers verglijden de kruimels, die 'k gaarde van 't godenfestijn in de hemelenzaal.[3]
Verwijzingen
  1. blz 120. Spreekwoordenboek der nederlandsche taal: of Verzameling van nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uit drukkingen von vroegeren en lateren tijd
    Auteur: Pieter Jacob Harrebomée
    Uitgever: Kemink en zoon, 1862
  2. Jesaja 32:15-16:
  3. Hyperion's klacht. Bob Spoelstra "den Doolaard" 1922.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen