zullen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zul·len
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: sullen
Oudnederlands: sullan
Germaans: *skulanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: shall, should (Angelsaksisch: sculan), Duits: sollen, (Oudhoogduits: skulan, sulan), Fries: sille
Noord: Zweeds: skola, Deens/Noors: skulle, (Oudnoors: skulu), IJslands: skulu, Faeröers: skula
Oost: Gotisch: skulan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zullen
zou
zouden
(zullen)
onregelmatig volledig

Werkwoord

zullen

  1. (hulpwerkwoord): hulpwerkwoord van de toekomende tijd
    Ik loop - ik zal lopen.
  2. (modaal werkwoord): moeten
    Gij zult het olieveld van uw naaste niet begeren.
Vertalingen