binnengaan

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binnengaan
ging binnen
binnengegaan
volledig

binnengaan

  1. ergens in gaan.
    Zij waren gisteren die winkel binnengegaan om een kijkje te nemen.

Lettergrepen
  • bin·nen·gaan

Vertalingen
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen