fiets

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
Een fiets in Amsterdam

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiets
Woordherkomst en -opbouw
  • De herkomst is onzeker. Vermoedelijk is het woord afgeleid van de naam van een bekende Amsterdamse rijwielhandelaar.
enkelvoud meervoud
naamwoord fiets fietsen
verkleinwoord fietsje fietsjes

Zelfstandig naamwoord

fiets m

  1. (vervoermiddel) tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen.
    De fiets is een van de populairste vervoermiddelen van de lage landen.
Vertalingen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden

Werkwoord

vervoeging van
fietsen

fiets

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fietsen
    Ik fiets.
  2. gebiedende wijs van fietsen
    Fiets!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fietsen
    Fiets je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen