fiets

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een fiets in Amsterdam.

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiets
Woordherkomst en -opbouw
  • Er zijn verschillende hypotheses, een ervan is dat fiets ontstaan uit het Duitse woord Vize-Pferd. Dat was destijds de Duitse naam voor dit nieuwe tweewielige vervoersmiddel en betekent letterlijk vice-paard ofwel "vervangpaard". Vize-Pferd werd meestal tot 'viez' verkort, wat uitgesproken wordt als 'fiets'.[1]
enkelvoud meervoud
naamwoord fiets fietsen
verkleinwoord fietsje fietsjes

Zelfstandig naamwoord

fiets v/m

  1. (verkeer) een tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
    De fiets is een van de populairste vervoermiddelen van de Lage Landen.
Verwante begrippen
Vertalingen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden

Werkwoord

vervoeging van
fietsen

fiets

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fietsen
    Ik fiets.
  2. gebiedende wijs van fietsen
    Fiets!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fietsen
    Fiets je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Universiteit Gent, Etymologie van het woord fiets na 140 jaar achterhaald, 21 februari 2012.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen