fietsenrek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Fietsenrek
Uitspraak
Woordafbreking
  • fiet·sen·rek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fietsenrek fietsenrekken
verkleinwoord fietsenrekje fietsenrekjes

Zelfstandig naamwoord

fietsenrek o

  1. rek om fietsen te parkeren
  2. (schertsend) gebit met grote tussenruimte tussen de tanden (-> fietsenrekkie)
    De tandarts gaf aan dat de kies er uit moet, met als gevolg dat ik een gat in mijn fietsenrekkie krijg
Synoniemen
Vertalingen


Meer informatie