spaak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- spaak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | spaak | spaken |
| verkleinwoord | spaakje | spaakjes |
Zelfstandig naamwoord
- een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
- De spaak was gebroken, maar dat hinderde niet.
- (gereedschap) staaf als hefboom
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.