spaak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spaak
enkelvoud meervoud
naamwoord spaak spaken
verkleinwoord spaakje spaakjes

Zelfstandig naamwoord

spaak v/m

  1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
    De spaak was gebroken, maar dat hinderde niet.
  2. (gereedschap) staaf als hefboom
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie