zwagerin
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zwa·ge·rin
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zwagerin | zwagerinnen |
| verkleinwoord | zwagerinnetje | zwagerinnetjes |
Zelfstandig naamwoord
zwagerin v
- (familie) de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote
Synoniemen
- (Surinaams-Nederlands) zwageres
- (Europees-Nederlands) schoonzus, schoonzuster
Verwante begrippen
Opmerkingen
- In het Europese Nederlands is deze benaming momenteel verouderd, maar in Suriname wordt zij nog courant gebruikt.