gezin

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zin
enkelvoud meervoud
naamwoord gezin gezinnen
verkleinwoord gezinnetje gezinnetjes

Zelfstandig naamwoord

gezin o

  1. een huishouden bestaande uit een man, een vrouw en kinderen.
    Ons gezin' gaat één maal per jaar op vakantie.'
Vertalingen
Persoonlijke instellingen